Een goed half jaar geleden schreef ik een blog over mijn houding ten opzichte van AI, artificial intelligence, in kunst. Intussen verstrijkt de tijd en zijn wereldwijd vurige discussies gaande over dit onderwerp en op zo’n beetje elk terrein dat je maar kunt bedenken. Naast de oneindige mogelijkheden die AI biedt, spelen tegelijkertijd de zorgen over de oneindige gevaren die op de loer liggen.

Maar net als met talloze andere technische ontwikkelingen zie ik het middel, het gereedschap, op zichzelf niet als het kwaad. Goed of kwaad resultaat hangt af van degene die het gereedschap hanteert. Met een hamer kun je huizen bouwen, maar je kunt er ook hele nare dingen mee doen. Idem voor AI.

De kwestie is, dat je op je vingers kunt natellen dat die kwade dingen er ook daadwerkelijk mee zúllen gebeuren. Voor kunst is dat punt al vrij snel bereikt zodra de computer eender welk beeld uitspuugt, omdat dat per definitie in de bron gevoed is door beelden van anderen en zelden met goedkeuring of laat staan medeweten ván die anderen. Ja, uit het kunstzinnige voedsel wordt dan weer een nieuw gerecht samengesteld, maar precies daar ligt het heikele punt: van wie is het beeld dat gefabriceerd wordt? Van de bron-maker(s)? Van de bediener van de computer? Van de softwarefabrikant? Ik voorzie dat er rondom auteursrecht de komende jaren een compleet nieuw rechtsgebied zal ontstaan, waarin deze nieuwe ontwikkelingen een plek zullen moeten gaan krijgen. Uitdagend genoeg lijkt me. Hoewel je met AI misschien wel hele slimme antwoorden en eenduidige rechtspraak hiervoor kunt optuigen…

Vakmanschap is meester … eh… werk

Maar inhoudelijk is er ook een ontwikkeling gaande. Waren we een half jaar geleden nog als kuikens aan het piepen in een nieuwe wereld waarin we versteld stonden van de beelden die uit de machines gespuugd konden worden, inmiddels kun je een stroom aan AI-‘kunst’ (ja ik zet het toch echt tussen aanhalingstekens voorlopig) voorbij zien trekken die onmiddellijk als zodanig herkenbaar is. Een geplastificeerd beeld met steeds weer eenzelfde gepolijst uiterlijk en een serie repeterende elementen. De spreekwoordelijke druk op de knop en poef…. wéér een nieuwe versie van het melkmeisje.
Maar er zijn óók werken bij die ik werkelijk om te smullen vind. Heerlijke beelden die ik met plezier aan mijn muur zou hangen. Een zekere differentiatie in skills, creativiteit en authenticiteit lijkt nú al zichtbaar te worden, eerlijk is eerlijk. Het ontstaan van vakmanschap in een nieuwe techniek, zoals ik in mijn vorige blog hierover al beredeneerde, tegenover snel scoren met makkelijke trucjes en kopieergedrag.

 

Nep echt

Zelf maak ik al een tijdje de vergelijking met plastische chirurgie. Iets dat 30 jaar geleden nog bijna taboe was, maar vandaag de dag praktisch gemeengoed en onder grote groepen mensen genormaliseerd. Voor velen geldt: de techniek bestaat, dús je gebruikt hem. En voor je het weet ben je een uitzondering als je hem níet gebruikt en moet je je daar bijna voor verantwoorden. Of het nu gaat om het gladtrekken van een gezicht, het al dan niet gebruiken van social media of het wel of niet hebben van een auto bijvoorbeeld. Het is van alle tijden. (‘Waarom heb je die rimpels? Laat ze toch wegspuiten, omdat het kan. En omdat de buurvrouw het ook gedaan heeft’). De morele discussie die je dáárover kunt voeren laat ik hier voor wat het is. We hadden het immers over kunst. Maar de vergelijking tussen plastische chirurgie en AI tekent zich wat mij betreft visueel al duidelijk af: in handen van een vaardig persoon kunnen er prachtige resultaten behaald worden. En voor beide disciplines zou je kunnen zeggen: hoe minder je kunt zien dat de techniek is toegepast, hoe succesvoller het resultaat. Het nabootsen van the real thing, en misschien wel new and improved is dan het doel. (In het laatste geval geen imitatio (nabootsen), maar aemulatio (overtreffen), zoals mijn leraar Grieks mij vroeger leerde over gebruiken uit al héél lang vervlogen tijden). Schiet je daarin door, dan gaat het er nep en plastic uitzien. Maar zowel voor plastische chirurgie als voor AI-beelden geldt: er zijn heel wat mensen die dat niet boeit. Ze omarmen het juist. Het fenomeen dat je soms rondom cosmetische ingrepen kunt waarnemen, dat gebruikers ervan elkaar gaan kopiëren, om er vervolgens allemaal hetzelfde bij te lopen, tekent zich ook al af in AI-beelden. Plastic fantastic. De maakbaarheid van de wereld vieren. Wel passend in deze tijd waarin Barbie volop in de picture staat. En tegelijkertijd denk ik ook aan die andere actuele veelbesproken film ‘Oppenheimer’, naar aanleiding waarvan de discussie of je alles wat je kúnt doen ook móet doen weer feller gevoerd wordt.

Tot hier en hoe nu verder?

We hebben het bij AI dan wel (nog) niet over een atoombom, zoals in die film, maar de vraag blijft overeind. Waar moeten we een morele grens trekken bij het inzetten van een middel? Wat zijn de gevolgen? Op korte termijn en lange termijn? Kunnen we die überhaupt wel overzien? En is er eigenlijk nog wel een weg terug zodra een nieuwe techniek het daglicht heeft gezien, of ontrolt het bijpassende scenario zich sowieso, wát we er dan ook van vinden? Zware vragen. Geef ik toe. Geen gezellige blog zo. Vooruit, doe ik er een afbeelding van een écht schilderij bij waar je blij van wordt: 'Happy Hour at the Rabbit Hole'. Volgende keer maar eens Chat GPT gaan verkennen en vragen om een vrolijke blog voor me te schrijven. Omdat het kan. Heb ik weer meer tijd om lekker authentiek te gaan schilderen. En om in de spiegel te kijken om te zien of ik al rimpels krijg. 😉